Een doodgewone dag in 1943?

Nee, het is geen doodgewone dag,
want het is oorlog
ook in Loon op Zand, aan de Kasteellaan,
bij die achterafstaande boerderij van de familie Pijnenburg,
waar pa en ma wonen met hun 8 kinderen.
Annie is de oudste, inmiddels 21 jaar
en werkt bij de firma Pessers van Zuylen in Tilburg.

Ik neem u mee terug naar april en mei 1943.
Na de grote studentenstaking is het nu de beurt
aan heel veel grote en kleine bedrijven
door het hele land om het werk neer te leggen.
Werknemers proberen zo de bezetter
op alle mogelijke manieren tegen te werken.

Ook Annie is die ochtend niet op haar werk verschenen,
ze had namelijk een kapotte fiets
en kon daarom niet in Tilburg komen.
Diezelfde dag verschijnt er op het erf van de familie Pijnenburg
een overvalwagen van de beruchte SS met twee duitse militairen
en Annie wordt zonder pardon opgepakt en meegenomen.
Samen met nog 18 andere meisjes uit Tilburg
wordt ze naar de Willem II kazerne gebracht.

Met z’n 9 in een te krappe, benauwde cel,
de angst,
het ongeloof,
vragen als
wat gebeurt er en waarom?
Het ondraaglijke wachten op wat komen gaat,
de onzekerheid,
hoe en wat nu verder?
‘s middags worden ze in een bus gezet
met bestemming onbekend…..
Het enige wat de chauffeur kan zeggen is:
“Ik moest” .
Er werd niet gesproken, dat werd door de SS-bewaking
niet toegestaan.
De angst en de spanning waren duidelijk voelbaar.

Bestemming onbekend
blijkt Kamp Vught te zijn.
Eén van de vrouwen fluistert over vluchten,
maar met elkaar weten ze haar te overreden
om het niet te doen, je had geen schijn van kans.

Door een grote, ronde poort kwamen ze op de appélplaats,
waar ze in rijen moesten opstellen.
Voor hen stonden op een verhoging twee militairen
met hun geweren in de aanslag,
om hen heen sloten hoge muren het terrein hermetisch af.
Vanaf het platte dak van een gebouw werden ze
nauwlettend in de gaten gehouden.
Er waren veel arrestaties verricht die dag,
dus er stonden meerdere groepen opgesteld.
Urenlang hebben ze daar staan wachten.
Totdat ze het bevel kregen om zich om te draaien,
met hun rug naar de soldaten toe.
“Nu gaan ze schieten”, dacht iedereen.
“Het is afgelopen met ons”.
De angst was onbeschrijfelijk.

Het liep gelukkig anders,
ze werden geregistreerd door kampbewaarders
en moesten zich helemaal uitkleden,
een grote vernedering voor de veelal jonge vrouwen,
met een flitsspuit tegen ongedierte
werden de oksels en het onderlichaam bespoten,
hun haren werden grondig nagekeken
maar gelukkig werden ze niet kaalgeschoren.
Ze kregen hun eigen kleding terug,
andere bezittingen als sieraden werden in beslag genomen.

Annie werd onderverdeeld in barak 10.
Lange rijen bedden, 3 hoog, gemaakt van planken,
met een strozak en een paardedeken.
Een smal gangpad tussen deze bedden in,
kastjes waren er niet.
De toiletten waren in een open lokaal, naast elkaar,
zonder deur of tussenschotten,
de vrouwen aan de kant, de mannen in het midden.
Wassen gebeurde gezamelijk in het waslokaal
aan een grote, ronde bak in het midden.
Slechts twee keer per dag kregen ze eten,
aan grote houten tafels in een aparte eetzaal,
‘s middags soep met slierten
en in de schil gekookte aardappels.
‘s avonds donker bruin hard brood,
waar ze ook de volgende morgen nog van moesten eten,
dus bewaarde ieder nog wat in een hoofddoekje
onder je kussen.
Eén keer per dag was er appél,
je waakte er wel voor om niet vooraan te hoeven staan,
proberen niet op te vallen was het beste.

In Kamp Vught waren ook joodse mensen,
te herkennen aan de ster op hun kleding.
Op een dag kwam er een joodse vrouw
met een kruiwagen vol papiertjes en troep van het kamp.
In de buurt van Annie en de andere vrouwen,
die in het kamp al bekend stonden als de stakers,
liet ze zgn per ongeluk de kruiwagen kieperen.
Tussen de troep lag een spijkerzak,
ze gaf het teken die weg te smokkelen onder een jas.
Met elkaar raapten ze de kruiwagen weer vol
en de vrouw vertrok.
In de spijkerzak bleken boterhammen verstopt te zitten
waarschijnlijk binnengesmokkeld door de ondergrondse.

Na een week moest de groep van Annie zich melden op het kantoor,
ze dachten dat ze weer verhoord zouden worden.
Tot hun grote ontsteltenis werden ze vrijgelaten.
Met grote angst welliswaar,
want er werd ze wel op het hart gedrukt
niet te praten over het kamp.
De commandant verbood hen iets erover te zeggen,
ze zouden zo weer opgepakt worden
en nooit meer naar huis terugkeren.
Duitse soldaten brachten hen naar het station van Vught,
ze moesten zelf maar zien in Tilburg te komen.
Dat is gelukt met hulp van de ondergrondse
die geld voor treinkaartjes hadden geregeld.
Vanaf Tilburg is Annie te voet verder gegaan naar Loon op Zand,
een voorbijkomende fietser had ze gevraagd
haar ouders te waarschuwen, dat heeft hij uiteindelijk gedaan
en gelukkig kwam pa Pijnenburg haar tegemoet gefietst.
Tranen met tuiten heeft Annie gehuild
toen ze eindelijk weer thuis was.
Van spanning, maar ook van blijdschap
dat alles achter de rug was.
Maar erover praten,
dat deed ze toch maar niet.
de angst bleef wel
en de nachtmerries ook.

Eenieder die deze herinneringen
van Annie van Noye aanhoort beseft,
dat het met velen anders is afgelopen.
We kennen allemaal de verhalen van mensen
die nog grotere verschrikkingen in dit kamp
maar ook in de vele andere kampen hebben overleefd.
We kennen ook de verhalen van al diegenen
die de kampen niet hebben overleefd.

Vele tijd later kwam Annie in het bezit
van een rode zakdoek waarop naast haar naam
ook de namen staan geborduurd van andere mensen
die in Kamp Vught gevangen hebben gezeten.
Een tastbare herinnering aan een tijd van onderdrukking
die nooit meer terug mag komen.
Er is nu nog een generatie die uit ervaring kan vertellen,
wij zijn de generatie die het door moeten geven
dat is onze taak ……..
Wij, die wel in vrijheid mogen leven.

Waspik, 4 mei 2010
Yvonne van Beurden – Severs

Herinneringen aan het verblijf in Kamp Vught in 1943
van mevrouw Annie van Noye – Pijnenburg